Versnippering in LLO-landschap zowel een vloek als een zegen, maar vooral een opdracht voor NLQF

Verslag lunchconferentie NLQF 2 april 2026

Het landschap van een Leven Lang Ontwikkelen (LLO) is versnipperd. Hoe kunnen we hier duidelijkheid bieden en welke rol speelt het NLQF daarbij? Deze vragen staan centraal tijdens de lunchconferentie van het NCP NLQF op 2 april in Nieuwspoort, Den Haag. Het leidt tot goede discussies en conclusies: ‘Met een NLQF-niveau heb je een waardevol papier op de arbeidsmarkt in handen.’

Bijna tien jaar stond Tijs Pijls als programmadirecteur aan het hoofd van het Nationaal coördinatiepunt NLQF, afgekort NCP NLQF. Begin april heeft hij het stokje overgedragen aan Frederike Jansen, die eerder werkzaam was als strategisch adviseur bij het NCP NLQF. Hoewel Pijls werkzaam blijft bij CINOP, waar het NCP is ondergebracht, wordt deze overdracht gemarkeerd met een lunchconferentie op 2 april 2026 in Den Haag. Met als doel: met elkaar nadenken over de rol van het NLQF in een versnipperd LLO-landschap, waarin veel initiatieven en organisaties apart van elkaar werken, waardoor de lerende niet optimaal gefaciliteerd wordt.

‘In Ierland eisen werkgevers een niveau-aanduiding’

Tijdens drie rondes, elk ingeleid door een spreker, wordt ingezoomd op internationaal, nationaal en sectoraal perspectief. Órla Barry van het Ierse kwalificatieraamwerk (QQI) trapt de middag af met een video waarin ze vertelt welke rol het QQI in Ierland speelt. Ze zoomt daarbij in op de gebruikers: de lerenden, werkenden en werkgevers. ‘Het succes van het raamwerk hangt af van deze gebruikers: begrijpen zij het en willen ze het ook? In Ierland eisen werkgevers het.’ Sterker nog: ‘Hier praten mensen in het dagelijks leven over QQI-niveaus. Als je iemand vraagt wat zijn of haar kind studeert, hoor je bijvoorbeeld: “niveau 6” of “niveau 8”.’

Benieuwd naar het verhaal van Órla Barry? Je vindt een verkorte versie van het interview hier.

Het verhaal van Barry blijkt voor veel aanwezigen een stip op de horizon, zo ook bij vertrekkend programmadirecteur Tijs Pijls: ‘We laten ons graag inspireren door het Ierse systeem, waarbij er geen onderscheid meer bestaat tussen formeel en non-formeel onderwijs. Maar ook omdat het QQI vanuit één organisatie een aantal taken vervult die in Nederland bij verschillende organisaties is belegd: inschalen, credit rating, valideringdiplomawaardering en kwaliteitsborging.’

Duidelijkheid voor gebruiker in het non-formele onderwijs

Dat hangt samen met de verwarring die er bij bedrijven bestaat. In een volgende ronde komt Gideon Verhoeven, bestuurslid en opleidingsadviseur bij SVGO-Gaan in de Bouw, aan het woord. Verhoeven en zijn organisatie zijn early adopters: als een van de eersten lieten zij een aantal opleidingen inschalen door het NCP NLQF. ‘Wij werken voor de bouwsector en zien bij veel bedrijven dat ze de weg niet meer weten: wat is een loopbaanpad en hoe verhoudt zich dat bijvoorbeeld tot een mbo-certificaat?’ In deze verwarring is volgens Verhoeven een belangrijke rol weggelegd voor het NLQF: ‘Een NLQF-niveau van een non-formele opleiding is heel herkenbaar en zorgt voor duidelijkheid in de jungle van certificaten en waardepapieren.

Ook Ciel Stevens, directeur van NRTO, ziet de versnippering en onduidelijkheid in het LLO-landschap, blijkt tijdens een volgende ronde. ‘We denken nu te veel vanuit het systeem en te weinig vanuit de gebruiker: voor wie doen we het eigenlijk?’ En die gebruiker bevindt zich volgens Stevens voor het grootste deel in het non-formele onderwijs: ‘Dit voldoet in de vraagbehoefte van werkenden en werkzoekenden. Het overgrote deel volgt non-formeel onderwijs, omdat het past in hun leven, bijvoorbeeld als zij zorg voor kinderen of juist ouderen dragen. Voor deze groep moet je maatwerk leveren en het eenvoudiger maken.’

Ze heeft een duidelijke oproep: ‘Laten we zorgen dat het NLQF een belangrijke functie behoudt in niveau-aanduiding, om zo bij te dragen aan arbeidsmobiliteit. Maar dan wel wat simpeler en toegankelijker, misschien ook met een stukje financiering vanuit de overheid erbij.’

Vanuit de zaal worden de bevindingen van de inleiders onderschreven. Zo benadrukt de een het belang van ‘een duidelijke taal voor waardepapieren’ en een ander dat ‘leeruitkomsten centraal gesteld moeten worden’. Dit raakt de kern van het NLQF en komt dan ook zeker terug in de toekomstscenario’s van het NLQF, wat op een ander kaartje geschreven is.


Bij de Ierse bijdrage van Órla Barry over collaboration, cooperation en compromise klinkt enthousiasme en de realisatie dat dat in ons Nederlandse poldermodel goed zou moeten werken. Daar wordt nog een vierde C, van heldere communicatie richting lerenden, aan toegevoegd. Ook daarin speelt het NLQF een belangrijke rol, en onder leiding van nieuwe programmadirecteur Frederike Jansen zal dat de komende jaren door het NCP in samenwerking en verbinding met aanwezige stakeholders verder worden uitgebouwd.

Van start-up naar ‘iets wat er écht toe doet’

Aan het eind van de conferentie is er uiteraard aandacht voor de wisseling van het programmadirecteurschap. Hanneke Ackerman, voorzitter van de Programmaraad, herinnert hoe het NCP NLQF in 2011 als start-up begon, met slechts een aantal ingeschaalde opleidingen per jaar. ‘Het was echt pionieren. Inmiddels is het NCP veel groter, met veel experts en auditoren, en voegt zo betekentis toe voor vakmensen, werkgevers en overheid. Krijg je certificaat of diploma met NLQF-niveau, dan heb je een waardevol papier in handen.’ Daarvoor dankt Ackerman Tijs Pijls voor zijn jarenlange inzet: ‘Met ongekende kennis van de materie en een goed strategisch inzicht heeft hij ervoor gezorgd dat het NCP zich heeft ontwikkeld tot iets wat er écht toe doet.’


Dat onderschrijft nieuwe programmadirecteur Frederike Jansen: ‘Tijs is het gezicht geworden van het NCP NLQF.’ Ze sluit de conferentie af: ‘Ik ben ontzettend blij en dankbaar dat ik dit stokje mag overnemen, en ik ga aan de slag met de bevindingen en conclusies van deze dag.’ Lachend: ‘Ik ga het nog druk krijgen.’