PLA over inschaling van non-formele kwalificaties

Op 18 en 19 oktober 2018 vond er in Wenen een PLA (Peer Learning Activity) plaats over ‘Inclusion of qualifications from outside the formal education and training sector into NQF’s'. Deze PLA werd georganiseerd vanuit de EU zodat landen van elkaar kunnen leren. Nederland was samen met het CBR (Centraal Bureau voor Rijvaardigheidsbewijzen) aanwezig als een van de landen die al langer actief is met het inschalen van non-formele kwalificaties.

Tijdens de PLA vonden de volgende presentaties plaats als input voor discussie over het inschalen van kwalificaties in het NLQF:

1. CEDEFOP: over de inventarisatie die is gedaan onder alle lidstaten over de NQF’s.
2. Nederland (NCP NLQF samen met CBR): over het inschalen van kwalificaties in het NLQF.
3. Zweden, Frankrijk, Polen, Oostenrijk en Duitsland: over het inschalen van kwalificaties in de NQF’s.

Wat valt op? Lesson’s learned

  • Van de genoemde landen zijn Frankrijk en Nederland al langer actief met het inschalen van non formele kwalificaties. Zweden is net begonnen, Polen, Oostenrijk en Duitsland hebben zich tot nu gericht op de koppeling van formele kwalificaties aan het NQF. Polen en Oostenrijk staan klaar om te beginnen met het inschalen van non-formele kwalificaties. Duitsland gaat eerst enkele pilots uitvoeren.
  • Er was veel discussie over wat formele en non-formele kwalificaties zijn. De meeste landen zien een formele kwalificatie als een kwalificatie die is gekoppeld aan een wettelijke basis en wordt gereguleerd door welk ministerie dan ook. In Nederland is een formele kwalificatie feitelijk een kwalificatie die wordt gereguleerd door het Ministerie van OCW.
  • Er worden min of meer vergelijkbare procedures gehanteerd om te komen tot inschaling. Wat opvalt is dat Nederland een duidelijk onderscheid maakt tussen validiteit/kwaliteit en inschaling. Andere landen hebben één procedure voor inschaling, waar validiteit/kwaliteit onderdeel van uitmaken. Hierdoor krijg je minder de discussie of het NQF een kwaliteitskeurmerk is of niet. Een leerpunt dus voor Nederland!
  • De indruk was dat Nederland het ‘strengste’ kijkt naar de validiteit/kwaliteit van de organisatie en processen aan de voorkant. Andere landen, waaronder Duitsland, vertrouwen veel meer op keurmerken die organisaties reeds bezitten. In Duitsland komt het bijvoorbeeld bijna niet voor dat een private organisatie geen keurmerk heeft. Nederland wil wel goed blijven kijken naar de kwaliteit aan de voorkant. Wel blijft het NLP NLQF kijken of meer bestaande keurmerken onderdeel kunnen uitmaken van een beperkte validiteitstoets.
  • Er zijn grote verschillen tussen de periode die wordt gehanteerd voor de duur van een inschaling en hoe de herbeoordeling eruit zit. Nederland leek het enige land dat een onderscheid maakt tussen een periode voor validiteit en inschaling en waar een procedure voor herbeoordeling is uitgewerkt. En de periode voor inschaling varieert: bijvoorbeeld 6 jaar, 10 jaar en ‘eeuwig’. Een aantal landen heeft hier nog niet over nagedacht of moet hiervoor nog beleid ontwikkelen.
  • In een aantal landen zijn de formele kwalificaties generiek ingeschaald in het NQF zoals in Nederland. Landen als Duitsland, Oostenrijk en Polen hebben procedures ingericht voor de koppeling van formele kwalificaties aan het NQF. De formele kwalificaties worden daar daadwerkelijk ingeschaald voordat ze worden opgenomen in een register.
  • De meeste landen kijken nog meer naar de kwaliteit van de leeruitkomsten. Het NCP NLQF gaat weer workshops over het schrijven van leeruitkomsten aanbieden!
  • Een aantal landen werkt op basis van wettelijke verankering, een aantal landen (bewust) nog niet. Zoals Nederland het wil gaan doen sprak aan: de beoogde wet regelt een aantal algemene zaken, o.a. niveau-aanduiding op diploma’s en de bestuurlijke boete bij oneigenlijk gebruik. Dat kennen de meeste landen niet, maar men ziet wel de noodzaak.
  • De landen werken met een register of gaan met een register werken. Er wordt meestal een onderscheid gemaakt tussen een register voor formele kwalificaties en een register voor non formele kwalificaties.
  • Er is ook veel gesproken over studiebelastingsuren (SBU's). Landen zijn geneigd om een minimaal aantal SBU’s te koppelen aan een kwalificatie. Dit om te voorkomen dat kleine kwalificaties worden ingeschaald. In Nederland werd er aanvankelijk ook een minimum aantal SBU’s gehanteerd. Maar nu voorkomt het hanteren van arbeidsmarktrelevantie (in combinatie met SBU’s) en de eis van een kwalitatief goed, onafhankelijk examen dat kleine trainingen/cursussen worden ingeschaald in Nederland.
  • Wat opviel was dat het NCP NLQF in Nederland praktisch en kleinschalig is georganiseerd. In de meeste landen zijn er grote, landelijke commissies (van soms tussen de 20-30 personen) die de finale uitspraak over inschaling doen. In Oostenrijk hebben de ministeries zelfs een vetorecht om een besluit van het hoogste orgaan te overrulen.
  • Betrokkenheid van stakeholders (sociale partners, koepelorganisaties) in bijvoorbeeld een klankbordgroep is een aandachtspunt voor Nederland. Wij kennen alleen de Programmaraad. De inrichting van een klankbordgroep staat voor 2019 in het activiteitenplan van  het NCP NLQF. De meeste landen hebben een klankbordgroep.
  • Nederland, Zweden en Frankrijk werken met een best-fit methode. Een aantal landen kijkt met een meer holistische blik naar het niveau van een kwalificatie. Ze kijken niet naar de afzonderlijke descriptoren maar komen in een keer tot een totaaloordeel. In Oostenrijk is het begrip best fit zelfs ‘verboden’. 

Share This