NLQF voor Nederlandse Defensie Academie middel voor borging kwaliteit opleidingen

Twee kwalificaties van de Nederlandse Defensie Academie zijn in april 2016 ingeschaald op niveau 6 van het NLQF. Het gaat om de Korte Officiersopleiding Zeedienst en de Middelbare Defensievorming. NCP NLQF sprak met Kapitein Luitenant Ter Zee Richard Platel over het nut van inschaling.

Hij was als hoofd Maritieme Vorming en Trainingsfaciliteiten bij het KIM (Koninklijk Instituut voor de Marine) betrokken bij het inschalingsproces van de Korte Officiersopleiding Zeedienst.

foto Richard Platel
Waar leidt de Korte Officiersopleiding Zeedienst voor op?

“Als officier zeedienst neem je vanaf de brug van een marineschip belangrijke beslissingen, bijvoorbeeld tijdens een anti-piraterij missie of het onderscheppen van een drugstransport. Iemand moet dus besluitvaardig zijn en snel kunnen schakelen. Omdat er in die functie veel informatie op iemand afkomt, is analytisch vermogen en helder communiceren ook erg belangrijk. Om in elke situatie je hoofd koel te houden, is een gedegen opleiding noodzakelijk. Voor de Korte Officiersopleiding Zeedienst moet je je een hbo- of wo-opleiding hebben afgerond. ”

Hoe zit de opleiding in elkaar?

“De opleiding bestaat uit een MMO-deel (maritiem militaire opleiding) en een VTO-deel (vaktechnisch onderwijs).
Het MMO-deel is voor alle adelborsten (officieren in opleiding bij de marine) hetzelfde. Het gaat er vooral om militairen te maken van de adelborsten. Het is een opleiding die van de ‘spijkerbroek’ een militair maakt, van het individu een teamspeler die tevens een team kan aansturen. Ook heeft iedere officier vakken als algemeen recht en tuchtrecht. Ze worden uiteindelijk door de regering op pad gestuurd en moeten heel goed weten hoe de regels in elkaar zitten.
Op een schip heb je vier korpsen: naast de Zeedienst heb je de Technische Dienst, de Logistieke Dienst en de Mariniers. Een marinier zit bij de marine, maar niet iedereen bij de marine is dus een marinier. Die vier korpsen moeten met elkaar kunnen samenwerken, vandaar dat het MMO-deel voor iedereen gelijk is.
In het VTO-deel gaat het om de vaktechnische specialisatie. In geval van de Zeedienst betreft het leren varen. Daarvoor zijn twee opleidingsschepen en een simulator met 6 bruggen beschikbaar. Na de opleiding kunnen de officieren elk marineschip van A naar B varen. Wij leveren dus ‘turn-key’ officieren af die echt klaar zijn om ingezet te worden.”

Wat was de aanleiding voor inschaling in het NLQF?

“De NLDA (Nederlandse Defensie Academie) hecht aan kwaliteitsborging van alle opleidingen. Bij defensie is dat des te belangrijker, omdat iedere militair na drie jaar naar een andere functie gaat. Als je niet goed borgt, krijg je fluctuatie in de kwaliteit en verandert de stip op de horizon veel te vaak. Toen ik begon bij het KIM zijn we gestart met een verbeterplan door het beschrijven van studietrajectprofielen (= samenvoeging van een beroepsprofiel en een opleidingsprofiel/eindtermen) voor alle korpsen. Naar aanleiding hiervan zijn we het MMO en VTO opnieuw gaan inrichten. Ongeveer tegelijkertijd werd van hogerhand aangegeven de mogelijkheid van NLQF- inschaling te bekijken. Omdat VTO-Z van scratch af opnieuw werd opgebouwd en daar ondersteuning van onderwijskundigen werd geboden, hebben wij en petit comité besloten de NLQF-inschaling hierin mee te nemen. Aanleiding voor inschaling was ook om militairen die de dienst verlaten beter toe te rusten voor de maatschappij. Het opleidingsniveau dat binnen defensie behaald wordt, wordt door inschaling in het NLQF veel herkenbaarder in de burgermaatschappij. Voor potentiële werkgevers is het duidelijker op welk niveau iemand werkzaam is.”

Wat waren de grootste uitdagingen?

“Bij het verbetertraject om tot betere borging te komen, hebben we goed gekeken naar de eisen die gelden voor inschaling in het NLQF. We zagen wel dat dat handvatten bood voor verbetering van de opleiding. Maar we hebben dat niet naar iedereen gecommuniceerd. Het verbetertraject op zich bracht al genoeg met zich mee. Wel hebben we iedereen - ook de docenten die beschrijvingen moesten maken - een basiscursus didactiek laten volgen om beter thuis te raken in de onderwijskundige terminologie en achtergronden. Denk aan de taxonomie van Bloom: daar zitten veel raakvlakken in met de manier waarop NCP NLQF kijkt naar de beschrijvingen van kwalificaties.

Het eindresultaat van ons verbetertraject bestond uit goed omschreven eindtermen waarin staat wat iemand moet kennen en kunnen. Vervolgens konden we deze eindtermen gaan afdekken met onderwijs. Om die match te maken zijn we met een club mensen bij elkaar gaan zitten: praktijkmensen, theoretici en onderwijskundigen. Voorheen zat er minder opbouw in het onderwijs. Nu passen de praktijk en de leerlijnen beter bij elkaar. Bij navigatie krijg je bijvoorbeeld precies die theorie die nodig is om een bepaald praktijkonderdeel mee te kunnen uitvoeren.
Er is bij dit soort trajecten altijd wel weerstand. Mensen vragen zich af waarom het nodig is. En zeggen: we hebben het altijd zo gedaan, waarom moet het anders? Maar als je duidelijk maakt dat het erom gaat het onderwijs te verbeteren, kun je wel draagvlak creëren.

KOO Zeedienst 2

Bij het hele proces waren onderwijskundigen betrokken. Die heb je echt nodig. Voor de incrowd is alles evident. Als je bezig bent met je vak dan vind je dingen vanzelfsprekend en besef je vaak niet dat iets voor een buitenstaander niet helder is. Ook heb je een kartrekker nodig van voldoende niveau die zaken kan afdwingen indien nodig.
Nu alles eenmaal op papier staat, is iedereen daar blij mee. Het geeft houvast voor verdere verbeteringen, omdat je precies weet waar je over praat. Een voorbeeldje: bij een onderdeel Vaarpraktijk vielen twee terechte onvoldoendes. Omdat het onderdeel via demo’s en direct coaching wordt aangeboden, is dat vreemd. Dan zijn we zelf dus eigenlijk ook gezakt. Blijkbaar wordt er gelet op iets dat niet is opgenomen. Zo’n voorval is nu aanleiding om de opbouw, beschrijving en het coachingsniveau van de vaarpraktijk nogmaals te bezien.

Toen alles opnieuw beschreven was, hebben we een onderwijskundige van de Nederlandse Defensie Academie het geheel laten bekijken met het oog op de inschaling in het NLQF. Dat werkte heel goed: een frisse blik haalt eruit wat toch nog niet duidelijk is. De inschaling verliep dan ook heel soepel. En de inschaling in niveau 6 was voor ons een hele welkome verrassing. Door duidelijke beschrijvingen kun je dus echt het niveau aantonen!”

Wat levert het op?

“Nu de NLQF-inschaling een feit is, gebruiken we deze om de kwaliteit te blijven bewaken. Over vijf jaar komt er een herbeoordeling, en dan willen we de inschaling natuurlijk behouden! We hebben een kwaliteitsjaarplan voor het gehele onderwijs waarin per maand omschreven is wat op bestuurlijk niveau moet gebeuren in verband met de kwaliteit van het onderwijs. Het VTO-Z maakt hier nu integraal onderdeel van uit en heeft een eigen gedeelte waarin de complete cyclus van leerlijnen analyseren, via opleidingsprogramma maken t/m het vaststellen van het curriculum en het uitgeven van de studiegids staat beschreven.
Ook is de inschaling gunstig met het oog op de samenwerking en het overleg extern met civiele opleidingen. Wij hebben diverse docenten van andere instellingen voor een (deel)vak en leveren bijvoorbeeld input voor de civiele opleidingen. We kunnen nu aantonen dat we een gelijkwaardige partner zijn. En ten derde: het NLQF is een extra stimulans voor de (aspirant-)adelborst, die weet dat hij/zij een opleiding op een bepaald niveau volgt en deze in de toekomst wellicht ook elders kan gebruiken.”

Wat zou je anderen adviseren?

“Als je je opleiding wil verbeteren, kijk dan vooral naar de NLQF-eisen voor inschaling. Dat helpt echt. Het levert mooie discussies op en je krijgt er ook nog mooi onderwijs van!”

Share This